In deze tijd lijkt alles erop gericht om onderwijs op scholen te uniformeren – alles om een bepaalde kwaliteit te kunnen waarborgen. Talloze ambtenaren en besturen houden zich hiermee bezig. Er moet meer vastgelegd en geadministreerd worden, er moet meer planmatig gewerkt worden, in Amsterdam is er zelfs een boek ‘Goed Onderwijs’ geschreven door gemeente en besturen, om leraren te laten lezen wat zij onder goed onderwijs verstaan en hoe er dus ‘gemonitord’ wordt.

Het effect van uniformeren wordt zwaar overschat en heeft zelfs kwalijke kanten. Plurifomiteit moet juist aangewend worden om de professionaliteit van leraren en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren.

Dat kan heel goed en wel op  drie niveaus:

  1. benutten van pluriformiteit in het dagelijks handelen binnen de klassensituatie
  2. benutten van talenten en interesses binnen het vak
  3. benutten van talenten en interesses buiten het vak.

Te beginnen met niveau 1.
Een leraar is een frontliniemedewerker; hij staat dag in dag uit in contact met leerlingen, ouders, collega’s en andere partijen. Dit vraagt om veel improvisatie, snel beslissen en handelen in unieke situaties. Er is geen standaard gebruiksaanwijzing voor een klas. Er is vaak ook niet 1 beste beslissing; achteraf terugkijkend kan je concluderen dat er ook andere mogelijkheden waren geweest. Dit wil niet zeggen dat de leerkracht per definitie goed of slecht gehandeld heeft.

Om dit beoordelingsvermogen te ontwikkelen, is ervaring, voortdurende reflectie en samenwerking nodig. Een leraar wordt nooit in zijn eentje goed. Daar heeft hij anderen voor nodig, daar hebben leraren elkaar voor nodig.

Het boekje ‘Leraar zijn’ uit 2012 van de Onderwijsraad benoemd 12 dilemma’s waar een leraar in zijn dagelijkse praktijksituatie mee te maken heeft. Ik noem er enkele:

  1. Focus op het curriculum versus focus op de capaciteiten van de leerling.
  2. Aansturen van leersituaties versus autonomie in leersituaties.
  3. Vaste volgorde in een leersituatie versus organisch verloop in een leersituatie.

Meer en meer uniformiteit in handelen van leerkrachten is dodelijk voor de ontwikkeling van reflecterend vermogen, professionaliteit en kwaliteit. Intervisie en collegiale consultatie is nog altijd een te weinig structureel gebruikt instrument op scholen. Juist uitwisseling tussen de verschillende professionals binnen een team, juist benutten van deze verschillen, zorgt voor de ontwikkeling van een beter beoordelingsvermogen en dus betere professionaliteit van de leraar.

Nog een kleine verdieping van dit onderwerp.
Ook uit onderzoek blijkt dat ervaring en tijdgeest verband houden met of leraren al dan niet de basis- en complexe didactische vaardigheden beheersen. Dit zorgt voor verschillen tussen generaties. Door zoveel mogelijk te willen uniformeren, ontstaat er juist een kloof tussen deze generaties, in plaats van dat verschillen worden benut.

Leraren die op hun 65e met pensioen gaan en zich de laatste jaren niet meer competent of gewaardeerd hebben gevoeld, omdat ze ook niet meer zo benaderd werden door hun omgeving, daar ken ik er inmiddels genoeg van. Ze moeten ineens alles anders doen, wat ze deden was niet goed. Zonde. Veel kennis en ervaring die wel degelijk relevant is voor goed onderwijs, gaat op die manier verloren.
Hier moet op scholen  bewuster op gestuurd gaan worden. Deze generaties verbinden en leren van elkaars kwaliteiten is essentieel, niet alleen voor het behouden van waardevolle kennis, maar ook om recht te doen aan wat iemand wel heeft bijgedragen in het onderwijs.

Bij het benutten van verschillen tussen persoonlijkheid en talenten van leraren kan je verder gaan, dan kom ik bij wat ik noemde niveau 2. Er worden nog zoveel ‘experts’ van buiten de school ingezet. Denk aan voordehandliggende onderwerpen als dyslexie, dyscalculie, gedragsspecialist. Het opleiden van eigen personeel gebeurt gelukkig al steeds meer, maar ik ken nog teveel scholen waarbij dit nog niet of maar mondjesmaat het geval is. Gebruik de talenten om verschillende specialisten in je school op te leiden en mensen uitdaging te bieden.

Bij het benutten van verschillen in talenten kan je nog veel verder gaan.
In een eerdere column sprak ik al over mijn droom van meer combinatiefuncties in het onderwijs. Ik droom hiervan, omdat het carriereperspectief erg eenzijdig is, en omdat het onderwijs verbonden moet zijn met de wereld eromheen – het moet de wereld ‘eromheen’ juist weerspiegelen. Daarnaast zijn leraren niet enkel uitvoerders, maar moeten hun eigen vakkennis en professionaliteit ontwikkelen en ‘verspreiden’ naar de periferie – beleidsmakers, opleiders, adviesbureaus – leraren moeten vanuit hun professie veel meer input hebben in de ontwikkeling en ondersteuning ervan.

In het boek ‘Het Alternatief’ hebben de hoofdauteurs een uitgebreidere uitwerking gemaakt van leraar-functies. Leraar-onderzoeker. Leraar-ambtenaar. Leraar-ondernemer. Leraar-adviseur. Leraar-opleider. Leraar-schoolleider. En wil je gewoon echt een goede leraar worden, die natuurlijk broodnodig zijn, dan is er ook nog de Expertleraar.
Het leraarschap wordt dan daadwerkelijk gecombineerd met andere functies, waarbij een wederzijdse uitwisseling plaatsvindt. Verschillende talenten worden aangewend bij mensen. Deze talenten, kennis en vaardigheden ontwikkelen zij en nemen zij ook weer mee de school in. Hoe verrijkend is dat!

Scholen die blijven uniformeren doden de talenten van leraren, en stagneren daarmee de verbetering van de professionaliteit van de leraar en de kwaliteit van het onderwijs.
Scholen die het lef hebben om de verschillen tussen leraren juist te benutten, om passie en talenten aan te boren en te stimuleren, halen het beste in hun leraren naar boven en zorgen daarmee voor zeer goed onderwijs voor onze leerlingen.

Ik wens dat op alle scholen in Nederland, en in ieder geval op de scholen waar jullie actief zijn, er nog meer werk gemaakt wordt van deze pijler ‘ verschillen tussen leraren’. Leraren met Lef en Directeuren zonder Vrees  kunnen daarmee een groot verschil maken.