Deze column gaat over wat Passend Onderwijs doet met de professionalisering van leerkrachten en met de onderwijskwaliteit. Met deze column wil ik aangeven wat mijns inziens knelpunten zijn en dat Passend Onderwijs een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn van gemeente en onderwijs.

De knelpunten:

  • Professionalisering van leerkrachten is nu al langer voortslepend knelpunt, zonder oplossing. Passend Onderwijs zal meer en andere kennis en vaardigheden van leerkrachten vragen; dit knelpunt wordt dus alleen maar groter.
  • Daarnaast ligt met Passend Onderwijs de valkuil op de loer dat leerkrachten zich professionaliseren tot gedragsspecialisten in plaats van de leerspecialisten die ze in de eerste plaats zouden moeten zijn.
  • Dit laatste zal een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het onderwijs dat gegeven wordt; dit gecombineerd met het feit dat ‘speciale’ kinderen in je klas bijna altijd extra aandacht en begeleiding vragen, die niet aan andere kinderen kan worden besteed, zal zonder echt goede extra hulp ten koste gaan van de onderwijskwaliteit.
  • Tot slot wil ik aangeven dat de focus op meetbare opbrengsten en de afrekencultuur die dit met zich meebrengt, een goede uitvoering van Passend Onderwijs in de weg kan staan.

Ik begin met een aantal praktijkvoorbeelden, om een idee te geven van wat Passend Onderwijs nu al van een leerkracht kan vragen.

Afgelopen donderdag was er in het Journaal een bericht over kinderen met het Syndroom van Down; zij leren volgens onderzoek meer in het regulier onderwijs dan in het speciaal onderwijs.

Ik geloof dat direct – ik zie meteen voor me hoe in mijn eigen klaslokaal zo’n leerling omringd wordt door kinderen die op een hoger niveau leerstof krijgen aangeboden en ook op een hoger niveau functioneren. Ook in de interactie, met de leerling, met elkaar, met de leerkracht. Dag in dag uit. Hoe ze hem of haar helpen. Hoe de leerling met het Syndroom van Down dit dagelijks ziet, meemaakt, ervaart, ervan leert. Dat lijkt me prachtig.
Ik zie natuurlijk ook direct voor me hoeveel extra tijd en begeleiding dit zal vragen. En kennis en vaardigheden van de leerkracht, toegespitst op onderwijs en omgaan met leeringen met het Syndroom van Down.

Een heel ander voorbeeld van een leerling op mijn eigen school. Hij heeft de diagnose ODD gekregen. Voordat ik inga op de kenmerken, wil ik vooropstellen dat dit voor het kind het allervervelendst is. Dat gezegd hebbende:
ODD is een ontwikkelingsstoornis en een aangeboren afwijking. Een kind met ODD vindt het moeilijk te gehoordzamen en doet ‘lekker niet’ wat volwassenen hem vragen. Heeft de neiging anderen te pesten. Geeft anderen de schuld van zijn eigen fouten. Gedraagt zich vooral zo tegen volwassenen. Is driftig, snel boos en gefrustreerd en tot slot wraakzuchtig; doet vervelende dingen om iemand terug te pakken. Zo had ik onlangs daardoor een lekke band, waarbij het ventiel ook echt binnenstebuiten was gekeerd. Het duurde even voordat ik daar, met hulp van een fietsenmaker uiteindelijk, achter was. Je snapt dat ik sindsdien mijn fiets liever niet meer voor de school zet.

Naast het feit dat zo’n leerling veel aandacht, tijd en extra deskundigheid van de leerkracht/school vraagt, vraagt het een extra grote verantwoordelijkheid in allerlei situaties, van toiletbezoeken tot pauzes, van schoolreisjes of educatieve activiteiten buiten de school, tot schoolkampen.

Dan nu een hele andere situatie; een school in een achterstandswijk met leerlingen van laagopgeleide ouders. In het Parool van afgelopen zaterdag stond daarover een artikel. De enige blonde personen op de school waren enkele leerkrachten. Alles op die school richt zich op taal en uitbreiding van de woordenschat. En op gedrag, want leerlingen uit een andere cultuur en leerlingen die zich minder goed kunnen uiten, worden sneller fysiek. Daar gaat veel tijd in zitten. Segregatie daar kan je als school niet veel aan doen – het is je taak om de kinderen zo goed mogelijk onderwijs te geven. Maar het lesgeven op zo’n school vraagt weer iets anders van de leerkracht dan op een school met een hele andere populatie. Dat vraagt tijd voor opbouw van kennis en deskundigheid.

Sander Dekker wil overigens geen geld meer toekennen op basis van etniciteit omdat dat stigmatiserend zou zijn – ik begrijp wat hij zegt, maar feit blijft dat er in de praktijk wel een knelpunt ligt.

Ik heb een artikel geschreven als bijdrage voor het boek Het Alternatief over de normjaartaak en daaruit voortvloeiende werkdruk in het onderwijs. Uit meerdere onderzoeken is gebleken dat de verdeling van uren volgens de NJT geen recht doet aan de praktijk; een leerkracht heeft alleen al veel meer tijd nodig voor de lesgebonden taken (voorbereiden, nakijken, enz.). Ondanks dat wordt dit toch aangehouden en blijven leerkrachten geconfronteerd worden met een grote (beleefde) werkdruk. Dit werd als grootste oorzaak genoemd bij de beantwoording van de vraag waarom er geen tijd is voor deskundigheidsbevordering. Ik heb ook geschreven over wat structurele werkdruk vervolgens doet met professionalisering – die stagneert.

Daarnaast is er m.i. een andere oorzaak aan te wijzen; leerkrachten worden slecht gefaciliteerd als het om scholing gaat. Kosten van 350 euro voor 1 persoon? Dat is te duur. Drie dagen vrij roosteren? Ook dat kost geld. Zijn er meer leerkrachten die dit willen? Dat gaat simpelweg niet, in ieder geval geen cursus onder schooltijd dus. Lees maar een boek en doe er wat mee, daar komt het vaak op neer.

Terwijl dit knelpunt er ligt, raast de trein van Passend Onderwijs ook door. Wat gaat betekenen dat dit meer gaat vragen van vaardigheden en kennis van leerkrachten; er komt een grotere druk op het professionaliseren.

Professionalisering vind ik ook zonder Passend Onderwijs al een noodzaak. Professionalisering vanuit de leerkracht, maar ook vanuit de school; kennis wordt nog te vaak tijdelijk ingehuurd (denk aan dyslexie of dyscalculie),  in plaats van dat geïnvesteerd wordt in het eigen menselijk kapitaal.

Wat betreft professionalisering vanuit de leerkracht; Uit onderzoek blijkt dat leerkrachten zich bereidwilliger tonen om te leren dan andere beroepsgroepen van vergelijkbare aard – met name op het pedagogische vlak, juist minder op het technische vlak of computervaardigheden. Ik begrijp dat ook wel – gedrag kan een zeer belemmerende factor zijn in het leerproces van een klas, en daar zit dus ook snel een grotere beleefde handelingsverlegenheid. Dit zal met Passend Onderwijs zeker niet minder worden, en zal dus (nog) meer vragen van leerkrachten. Terwijl ik zelf juist nog iets heel anders signaleer – als ik zie hoe langzaam nieuwe didactische inzichten en modellen binnendruppelen in een school, zou ik juist verwachten dat in eerste instantie dáár een professionaliseringsslag gemaakt moet worden.

Beter zicht op alle verschillende leerlijnen, hoe lees- en leerproblemen te signaleren en aan te pakken, dyslexie, dyscalculie, onderpresteerders, verschillen in leren tussen jongens en meisjes – er valt nog een wereld te winnen.

Passend Onderwijs gaat meer vragen van het pedagogische aspect. Ik vrees dan ook dat wanneer daar niet goed op gestuurd wordt en er geen adequate zorg in de klas wordt georganiseerd, dit ten koste zal gaan van de professionalisering van de leerkracht als leerspecialist.

En hierin kan juist de gemeente een verschil gaan maken in het al dan niet laten slagen van Passend Onderwijs. Want gemeente is verantwoordelijk voor de zorg in de stad.
En daar moeten de handen veel meer ineen worden geslagen, nu al. Niet in bestuurlijke overleggen, maar daar waar het gebeurt; in de klas, op de school.

Er wordt met proeftuinen ook aan gewerkt door de gemeente. Maar de gemeente zit momenteel met name in de rol van afrekenen op meetbare resultaten.
In plaats van op de stoel van toezichthouder of ‘voorschrijver van hoe het moet’ te gaan zitten (nota bene op onderwijs waarbij zij zelf tot 2008 gebouw en inhoud hebben ‘ verwaarloosd’), of het onderwijs af te rekenen op meetbare resultaten, zou ik zo graag zien dat de gemeente op een meer faciliterende en samenwerkende stoel gaat zitten. Faciliterend in gebouwen en schoolomgeving, samenwerkend als het gaat om zorg voor leerlingen. Toezicht, daar is de inspectie voor. Kwaliteitsbewaking, dat horen besturen zelf te doen (niet met de gemeente als regisseur op de achtergrond).

Passend Onderwijs is in mijn ogen een gedeelde verantwoordelijkheid van onderwijs en gemeente. Het zou m.i. helpen als de gemeente vooral die verantwoordelijkheid op zich neemt, in plaats van met boze vingers te wijzen en strenge kwaliteitsbureaus in het leven te roepen, waarvan overigens de aangeprezen opbrengsten nog discutabel zijn.

Zorg en onderwijs moeten de handen ineen slaan. Niet in een overleg eens in de zoveel tijd (ZAT), maar op de werkvloer, daar waar het kind ook daadwerkelijk is. Behandelen in eigen omgeving lijkt me effectiever, en leerzaam voor de leerkracht en school.

En tot slot, gemeente, wil je echt kwaliteit van scholen verbeteren? Investeer dan in scholing en professionalisering van leerkrachten, in plaats van in iets als het KBA. Ik droom nog steeds van combinatiefuncties; leerkracht en specialist (denk aan dyslexie, dyscalculie, gedrag), of leerkracht en onderzoeker, of leerkracht en… vul maar in. Professionalisering en carriereperspectieven; hebben we volgens mij ook meteen de oplossing voor het probleem van een tekort aan mannen in het onderwijs.

Ik zeg; doen!